Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

verbouwing badkamer niet afgemaakt; aanbetalingen; geen 'bouw van een woning' in de zin van art. 7:765 BW; vervangende schadevergoeding ogv art. 6:87 BW

Uitspraak



GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.189.022/01

Zaaknummer rechtbank : 4020519 CV EXPL 15-14791

arrest van 23 augustus 2016

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. J.M.Y. van Beijeren te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde],

handelend onder de naam [geïntimeerde] Onderhoud & Timmerbedrijf,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

niet verschenen.

Het geding

Bij exploot van 17 februari 2016 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het door de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 20 november 2015. Nadat tegen [geïntimeerde] verstek was verleend, heeft [appellante] bij memorie van grieven met producties zeven grieven aangevoerd en tevens haar eis voorwaardelijk gewijzigd. Vervolgens heeft [appellante] de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

De gebeurtenissen

1.1

Tussen [appellante] als opdrachtgever en [geïntimeerde] als opdrachtnemer is op of omstreeks 8 april 2014 een overeenkomst gesloten waarbij [geïntimeerde] zich heeft verbonden tegen betaling werkzaamheden te verrichten in de woning van [appellante].

1.2

Deze overeenkomst houdt onder meer in:

“Opdrachttitel: Badkamer renovatie van 2.10 x 2.20 overloop scheufdeur en in de schuur water en 2 stuks extra groepen ( stroom )

(…)

Eerste werkdag: 28-04-2014

Laatste werkdag: 03-05-2014 uitlopend door droog tijden van de smeervloer en de wanden.

(…)

totaal zonder stelpost en sanitair: € 5.950,00 euro Incl. Btw (…)

Aanbetaling: * € 2.975,00 zonder Stelpost: Materialen sanitair: € 845,00 euro (voorschot) voor de bouw begin

Tussentijdse betaling: * € 2.380,00 euro ( Eerste dag begin de werkzaamheden )

Eindafrekening: * € 595,00 euro ( Oplevering van de werkzaamheden )

Overige betaalafspraak stelpost: * € 845,00 euro indien akkoord (…) komt nog bij het bedrag van € 5.950,00 euro Incl. Btw.”

1.3

Op 10 april 2014 heeft [appellante] conform de overeenkomst € 2.975,- aanbetaald.

1.4

Op 28 april 2014 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] laten weten dat hij ziek is en dus niet in staat is om te beginnen met de werkzaamheden.

1.5

Op 5 mei 2014 is [geïntimeerde] met de werkzaamheden begonnen. Hij heeft deze niet onafgebroken voortgezet. [appellante] heeft hem daarover aangeschreven, waarna [geïntimeerde] aan [appellante] heeft bericht dat hij maandag 26 mei 2014 om 8.00 uur bij haar is voor het starten met de werkzaamheden aan de badkamer.

1.6

Op 19 juni 2014 heeft [geïntimeerde] [appellante] schriftelijk in gebreke gesteld wegens het niet voldoen van de tweede (tussentijdse) betaling en geschreven:

“(…) wij gaan pas verder met de werkzaamheden als u deze betaling heeft voldaan (…)

De werkzaamheden wat nog moet gebeuren zijn:

Plafond afwerken en sausen, sanitair plaatsen, Meterkast aansluiten, schuifdeur in de hal.

(…)”

1.7

Op 26 juni 2014 heeft (de gemachtigde van) [appellante] aan [geïntimeerde] geschreven, dat [appellante] haar betalingsverplichting – het voldoen van de tweede betaling – heeft opgeschort. De helft van de werkzaamheden moet nog worden uitgevoerd en een deel vertoont gebreken. De vloertegels in de badkamer zijn zodanig gelegd dat er na het douchen een plas ontstaat omdat het water niet afloopt naar het putje maar zich ophoopt in een kuiltje in de vloer. [geïntimeerde] moet binnen 14 dagen en in overleg met [appellante] onafgebroken de werkzaamheden uitvoeren en de gebreken verhelpen, daarna zal [appellante] het resterende bedrag betalen, aldus het schrijven. [geïntimeerde] heeft daarna geen werkzaamheden meer verricht.

1.8

In augustus 2014 heeft Dekra Experts B.V. (hierna: Dekra) in opdracht van [appellante] onderzoek gedaan naar de door [geïntimeerde] uitgevoerde werkzaamheden, waarna zij een deskundigenrapport heeft opgesteld. Hierin is onder meer vermeld dat het in rekening brengen van meerwerkkosten niet terecht is en dat de kosten die noodzakelijk zijn om de gebreken te herstellen en om de nog niet uitgevoerde werkzaamheden af te ronden € 945,25 respectievelijk € 2.435,25 (inclusief BTW) belopen. Voorts heeft [appellante] twee offertes voor het verrichten van werkzaamheden aan de badkamer gekregen: een offerte van [naam] Installatie.nl ad € 7.725,24 (inclusief BTW) en een offerte van Plusfour Milieubouw ad € 6.181,92 (inclusief BTW).

1.9

[appellante] heeft bij de kantonrechter, na vermindering van eis gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen om aan haar te betalen € 3.553,58 met rente vanaf 10 juni 2014, alsmede € 1.016,40 in verband met het opstellen van het deskundigenrapport van Dekra, met rente en voorts buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Haars inziens is er sprake van een toerekenbare tekortkoming omdat [geïntimeerde] zijn verplichtingen niet is nagekomen en is [geïntimeerde] aansprakelijk voor de schade die [appellante] dientengevolge heeft geleden.

1.10

[geïntimeerde] heeft de vorderingen van [appellante] betwist en zijnerzijds in reconventie gevorderd [appellante] te veroordelen tot betaling van zijn inkomensverlies ad € 2.583,75 (inclusief BTW), de tweede termijn van de aanneemsom ad € 2.380,01, meerwerk ad € 850,- en een vergoeding voor materialen ad € 650,-. Hij heeft ter zitting van 3 augustus 2015 bij de kantonrechter verklaard dat hij bereid is de badkamer af te maken als [appellante] betaalt. [appellante] heeft de vorderingen van [geïntimeerde] betwist.

1.11

Op 20 november 2015 heeft de kantonrechter vonnis gewezen, waarbij de vorderingen van [appellante] zijn afgewezen en die van [geïntimeerde] toegewezen tot (na verbetering) € 2.380,01. Zeer kort gezegd komen de overwegingen er op neer dat [geïntimeerde] niet in verzuim was gekomen omdat [appellante] als eerste moest presteren, dat de overeenkomst geheel in stand blijft en de door [geïntimeerde] gevorderde meerkosten niet zijn onderbouwd en dat [appellante] nu (eerst) de tweede termijn van de aanneemsom van € 2.380,01 moet betalen.

1.12

Op 18 januari 2016 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] geschreven dat zij de tweede aanneemsom zal betalen en heeft zij verzocht het werk binnen drie weken na betaling te hervatten, de gebreken te herstellen en het werk binnen vijf werkdagen na aanvang op te leveren, waarna zij de eindafrekening van € 595,- zal voldoen.

1.13

Daarop heeft [geïntimeerde] bij e-mail van 18 januari 2016 bericht:

“(…) Rekeningnummer is (…) Hier graag naar toe storten heeft al te lang geduurd vind u niet. (…) Nu eist u dat ik de werkzaamheden gaat hervatten op grond van de opdrachtbevestiging. Dit gaat niet werken zo (…)

Bij deze als de werkzaamheden worden hervat worden er afspraken gemaakt op papier dus met andere woorden er wordt een nieuwe opdrachtbevestiging getekend (…). Hierbij worden de prijzen aangepast en herschreven.”

1.14

Op 20 januari 2016 heeft [appellante] € 2.380,00 aan [geïntimeerde] betaald.

1.15

Op 4 februari 2016 heeft [appellante] [geïntimeerde] gesommeerd contact op te nemen en de genoemde werkzaamheden te hervatten. [geïntimeerde] heeft per e-mail van 4 februari 2016 gereageerd dat hij niet zal overgaan tot hervatting van de werkzaamheden. Hij heeft het werk niet afgemaakt.

1.16

Op 15 februari 2016 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] geschreven dat hij in verzuim is en dat zij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert. [geïntimeerde] heeft geen schadevergoeding betaald.

Het hoger beroep

2. [appellante] heeft zeven grieven tegen het vonnis van de kantonrechter gericht en gevorderd dat het hof het vonnis vernietigt en haar vorderingen toewijst en die van [geïntimeerde] afwijst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de (proces)kosten. Voorts heeft zij thans, voor het geval haar grieven niet slagen, gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [appellante] van € 5.933,58, zijnde het bedrag dat met het afronden en het herstel van de werkzaamheden is gemoeid, met rente vanaf 4 februari 2016, alsmede € 1.016,40 (de kosten van het deskundigenrapport van Dekra) en € 671,68 (buitengerechtelijke kosten).

De grieven

3.1

[appellante] heeft haar eerste en tweede grief gericht tegen de door de kantonrechter vastgestelde data van het versturen van een brief en de aanvang van de werkzaamheden. Nu het hof de feiten zelf heeft vastgesteld en daarbij is uitgegaan van de juistheid van de in de grieven genoemde data, heeft [appellante] bij de behandeling van deze grieven geen belang meer.

3.2

De derde, vierde en vijfde grief betreffen het oordeel van de kantonrechter dat [appellante] als eerste moest presteren door de tweede termijn te betalen, zodat [geïntimeerde] niet in verzuim kon raken. De zesde grief is ook gericht tegen het oordeel dat niet aan het vereiste van verzuim was voldaan en bouwt voort op de voorgaande grieven. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

3.3

[appellante] heeft in de toelichting op de grieven aangevoerd dat de afspraak dat [appellante] op de eerste dag aan het begin van de werkzaamheden een tussenbetaling van € 2.380,- moet doen:

a. geen toepassing vindt omdat partijen van de initiële afspraak zijn afgeweken,

b. nietig is omdat zij in strijd is met dwingend recht, nu de opdracht tot inbouwen van een badkamer in een woning valt onder het regime van de artikelen 7:765- 7:769 BW, en /of

c. buiten toepassing moet blijven op grond van artikel 6:248 BW , omdat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als [appellante] als consument reeds 90% van de aanneemsom dient te betalen op de dag dat de werkzaamheden aanvangen. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

3.4

Tussen partijen was afgesproken dat de eerste werkdag op 28 april 2014 zou zijn en dat de ‘tussentijdse betaling’ (de tweede aanbetaling) op de “eerste dag begin de werkzaamheden” betaald zou worden, dat wil zeggen bij aanvang van de werkzaamheden, dus op de dag waarop [geïntimeerde] daadwerkelijk aan het werk begon. Omdat [geïntimeerde] op 28 april 2014 ziek was, kon hij die dag niet met het werk beginnen. Daardoor hoefde [appellante] de tweede aanbetaling toen ook nog niet te doen. Op 5 mei 2014 is [geïntimeerde] alsnog met het werk begonnen. Op dat moment moest [appellante] dus de tweede aanbetaling doen. [appellante] heeft niets gesteld waaruit kan worden afgeleid dat er nadere, andere afspraken over de tweede aanbetaling zijn gemaakt. Dat het werk na aanvang niet in één keer is afgemaakt, zoals afgesproken, stond er niet aan in de weg dat [appellante] de tweede aanbetaling bij aanvang van de werkzaamheden deed en betekent ook niet dat er een nadere afspraak over die tweede betaling is geweest.

3.5

Het beroep op nietigheid wegens strijd met het regime van de artikelen 7:765-7:769 BW faalt eveneens. In artikel 7:767 BW is bepaald dat de opdrachtgever slechts kan worden verplicht tot het doen van betalingen die overeenstemmen met de voortgang van de bouw of met de waarde van de aan hem overgedragen goederen. Dit artikel is echter, gelet op artikel 7:765 BW (alleen) van toepassing op “aanneming van werk die strekt tot de bouw van een woning, bestaande uit een onroerende zaak of bestanddeel daarvan, in opdracht van een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf” (citaat uit artikel 7:765 BW). Uit deze wetstekst blijkt dat het moet gaan om de bouw van een woning. [appellante] meent dat de renovatie van een badkamer volgens de wet ook onder ‘bouw van een woning’ valt, kennelijk omdat een badkamer een bestanddeel van de woning is en in de wetstekst tussen komma’s staat: “bestaande uit een onroerende zaak of bestanddeel daarvan”.

Zowel uit de plaats van de komma’s in de wetstekst als uit de bedoeling van de wetgever zoals deze in de wetsgeschiedenis naar voren komt (kamerstukken Tweede Kamer, 23 095), blijkt dat waar de wetstekst tussen de komma’s spreekt over ‘een onroerende zaak of bestanddeel daarvan’, het woordje ‘daarvan’ terugslaat op ‘een onroerende zaak’ en niet op het eerder genoemde woord ‘woning’. De wetgever heeft ‘bouw van een woning’ beperkt tot onroerende zaken (dus geen woonboten of caravans en dergelijke) en woningen die niet zelfstandig een onroerende zaak zijn, maar bestanddelen zijn van een groter complex (dus bijvoorbeeld de bouw van een woning in een onroerende zaak waarin ook bedrijven of andere woningen komen) onder de bescherming van de wet gebracht. Dat betekent geenszins dat het verbouwen van een stukje van een bestaande woning, zoals de badkamer, reeds als “bouw van een woning” in de zin van de wet kan worden aangemerkt.

3.6

[appellante] heeft onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij de overeenkomst met de afspraak om de werkzaamheden grotendeels te betalen bij het begin van de werkzaamheden, moet nakomen. Het gaat om werkzaamheden waartoe [geïntimeerde] van te voren aankopen moest doen en werkbare dagen moest reserveren, terwijl [appellante] een substantieel deel (€ 595,-) pas bij (correcte) oplevering hoeft te betalen.

3.7

Uit het vorenstaande volgt dat de derde tot en met vijfde grief ongegrond zijn. De zesde grief volgt hun lot. Nu de grieven 3 t/m 6 tevergeefs zijn voorgesteld, komt het hof na beoordeling van de laatste grief toe aan de beoordeling van de (voorwaardelijk) gewijzigde eis.

3.8

De laatste, zevende grief is gericht tegen toewijzing van de vordering in reconventie van [geïntimeerde] tot een bedrag van € 2.380,01. Dit bedrag was door [geïntimeerde] gevorderd, maar uit de overeenkomst tussen partijen blijkt dat de tweede termijn € 2.380,00 bedraagt, aldus [appellante]. Het hof constateert dat deze grief om één cent gaat. Hoewel [appellante] in eerste aanleg de hoogte van de factuur niet heeft betwist, staat voor het hof wel vast dat [geïntimeerde], conform de overeenkomst, slechts € 2.380,00 van [appellante] kon vorderen. Het hof zal het vonnis in reconventie in zoverre vernietigen en [appellante] in plaats daarvan veroordelen tot betaling van € 2.380,-. Voor het overige blijft het vonnis in reconventie in stand.

De eiswijziging

4.1

Bij eiswijziging in hoger beroep heeft [appellante] onder meer een bedrag van € 5.933,58 met rente gevorderd als vervangende schadevergoeding. Zij stelt daartoe dat zij na het vonnis van de kantonrechter haar verplichtingen uit de overeenkomst is nagekomen en dat [geïntimeerde] desondanks weigert zijn werkzaamheden te hervatten. Daarom is [geïntimeerde] nu in verzuim gekomen en is [appellante] op grond van artikel 6:87 BW gerechtigd vervan gende schadevergoeding te vorderen, aldus [appellante]. [geïntimeerde] heeft na zijn verweer in eerste aanleg, in hoger beroep geen (verder) verweer gevoerd.

4.2

Het hof stelt vast dat de in april 2014 tussen partijen gesloten overeenkomst van kracht is gebleven. Weliswaar heeft (de advocaat van) [appellante] destijds ter zitting aan de kantonrechter kenbaar gemaakt dat [appellante] niet wilde dat [geïntimeerde] het werk nog kwam afmaken, maar daaraan is geen vordering tot ontbinding verbonden en [geïntimeerde] zei bereid te zijn de badkamer af te maken nadat [appellante] had betaald. De kantonrechter heeft [geïntimeerde] in het gelijk gesteld, geen nietigheid van de overeenkomst uitgesproken en hij heeft [appellante] veroordeeld tot betalen. Daarmee was duidelijk dat de overeenkomst moest worden nagekomen.

4.3

[appellante] heeft inmiddels de verschuldigde tweede termijn van de aanneemsom betaald, zodat het aan [geïntimeerde] was om na te komen. Echter, zoals [appellante] thans gemotiveerd en onbetwist heeft aangevoerd, nu weigert [geïntimeerde], ondanks de schriftelijke aanmaning daartoe, de in 2014 gesloten overeenkomst na te komen. Uit zijn hiervoor onder 1.13 weergegeven e-mail blijkt hij niet bereid is de werkzaamheden op grond van de gesloten overeenkomst af te maken, maar andere afspraken en een nieuwe opdrachtbevestiging wil hebben, met aangepaste prijzen.

4.4

Toen [geïntimeerde] verzuimde om de werkzaamheden af te maken, heeft [appellante] hem schriftelijk medegedeeld dat zij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert. Op grond van artikel 6:87 BW heeft zij het recht de verbintenis van [geïntimeerde] tot nakoming van de overeenkomst om te zetten in een tot vervangende schadevergoeding. Het hof zal nu dus de schade vaststellen en het vonnis van de kantonrechter in conventie waarmee de schadevergoedingsvordering van [appellante] was afgewezen, vernietigen.

schade

5.1

[appellante] heeft aangevoerd dat haar schade € 5.933,58 bedraagt, zijnde de kosten voor de herstelwerkzaamheden (door haar begroot op € 6.528,58) minus het bedrag dat [appellante] pas bij oplevering van de werkzaamheden aan [geïntimeerde] diende te betalen (€ 595,-). Het hof merkt dienaangaande op dat [appellante] geen ontbinding van de overeenkomst heeft gevorderd, maar de verbintenis heeft omgezet in een tot vervangende schadevergoeding. Daardoor blijft [appellante] zelf haar tegenprestatie (betalen van € 595,-) verschuldigd. Het is wel duidelijk dat zij deze tegenprestatie direct verrekend wil zien met het bedrag van de vervangende schadevergoeding.

5.2

[appellante] heeft het bedrag van de herstelwerkzaamheden onderbouwd door te verwijzen naar de genoemde offertes van [naam] Installatie.nl ad € 7.725,24 (inclusief BTW) en van Plusfour Milieubouw ad € 6.181,92 (inclusief BTW) waarvan zij het gemiddelde heeft genomen. Zij heeft echter niet gesteld dat zij de werkzaamheden niet kan laten afmaken door een bedrijf dat qua kosten vergelijkbaar is met Plusfour Milieubouw. Het hof ziet daarom geen grond om voor de schadebegroting uit te gaan van de duurste begroting of van het gemiddelde. Het hof zal daarom uitgaan van de offerte van Plusfour Milieubouw. Reeds in eerste aanleg werd duidelijk dat de offerte van Plusfour Milieubouw meer en andere werkzaamheden noemt dan de werkzaamheden die volgens [geïntimeerde] nog moeten gebeuren. [appellante] heeft in hoger beroep weinig nader daarover gesteld. Mede in het licht daarvan beoordeelt het hof de schade als volgt.

5.3

In de offerte van Plusfour Milieubouw is vervanging van het plafond opgenomen. [geïntimeerde] heeft (in eerste aanleg) erkend dat van het plafond (slechts) de naden nog gestuukt moeten worden en dat het nog moet worden gesausd. Daarmee staat voor het hof voldoende vast de in hoger beroep niet verder betwiste stelling van [appellante], dat het plafond nog niet goed is en dat [appellante] kosten voor herstel daarvan moet maken. Dat het gehele plafond vervangen moet worden, is echter niet voldoende onderbouwd. Het hof zal de kosten van het herstel ex aequo et bono begroten op € 300,-. Aangezien de offerte van Plusfour Milieubouw uitgaat van volledige vervanging van het plafond, welke volledige vervanging door het hof (mede aan de hand van de kosten voor vervanging van de wanden) op € 800,- wordt geschat, zal het hof van die offerte € 500,- aftrekken.

5.4

In de offerte van Plusfour Milieubouw is vervanging van de wanden opgenomen. [geïntimeerde] heeft (in eerste aanleg) aangevoerd dat hij goed werk aan (de ondergrond van) de wanden heeft gedaan. [appellante] heeft in hoger beroep niets nader gesteld over de noodzaak om de wanden te vervangen. Integendeel, in het door haar overgelegde nadere rapport van Dekra is aangegeven dat de noodzaak van het vervangen van de wandtegels en daarmee van het slopen van de gipswanden, onduidelijk is. Het hof gaat er daarom van uit dat de wanden en wandtegels niet hoeven te worden vervangen. Het hof gaat er ook van uit, nu niets op het tegendeel wijst, dat er aannemers zijn die sanitair kunnen (terug)plaatsen en een plafond kunnen herstellen, zonder de wanden eerst weg te halen. Het hof acht de schadevordering voorzover die op het slopen van de wanden ziet, daarom onvoldoende onderbouwd en zal, conform de begroting van Dekra, een post van € 2.500,- van de offerte aftrekken.

5.5

In de offerte van Plusfour Milieubouw zijn posten opgenomen voor het herstellen van de tegelvloer. In de door [appellante] overgelegde rapportage van Dekra is over de vloer opgemerkt dat de douchehoek juist op afschot lijkt te zijn, maar dat buiten de douchehoek op tegels die dieper liggen, water blijft staan. [geïntimeerde] heeft hiertegenover in eerste aanleg aangevoerd dat de vloertegels vanuit zichzelf hollingen en bollingen hebben en dat hij de vloer keurig heeft gelegd, hetgeen hij heeft onderbouwd met foto’s van een vloer met een waterpas erop. Het hof acht de betwisting door [geïntimeerde] dat de vloer hersteld moet worden onvoldoende, juist nu het om tegels met hollingen en bollingen gaat, waar water in zal blijven staan wanneer ze waterpas zijn gelegd. Een juist afschot ook buiten de douchehoek had in de rede gelegen om het vasthouden van water bij (ietsje) dieper gelegen tegels te voorkomen.

5.6

In de offerte van Plusfour Milieubouw is het frezen van leidingen en afvoerbuis genoemd. [geïntimeerde] heeft (in eerste aanleg) betwist dat het nodig is dit in de vloer te doen, omdat daar geen leidingen waren. Dit laat echter onverlet dat bij het plaatsen van sanitair mogelijk ook gefreesd moet worden.

5.7

Ten aanzien van de overige in de offerte genoemde posten heeft [geïntimeerde] niet (althans niet voldoende gemotiveerd) betwist dat dienaangaande nog (enige) werkzaamheden moeten gebeuren.

5.8

Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat de vervangende schadevergoeding kan worden begroot op € 3.181,92 (zijnde de (laagste) offerteprijs ad € 6.181,92, minus € 3.000,-). Nu [appellante] bij betaling van deze vervangende schadevergoeding direct zelf de overeengekomen eindafrekening van € 595,- moet betalen, is per saldo uit hoofde van de overeenkomst nog € 2.586,92 vergoeding verschuldigd, door [geïntimeerde] aan [appellante] te betalen. De gevorderde wettelijke rente kan worden toegewezen vanaf de datum waarop [geïntimeerde] met betaling van de vervangende schadevergoeding in verzuim is gekomen. Nu ter zake van de betaling daarvan geen termijn is gesteld, zal het hof de wettelijke rente doen ingaan per heden.

5.9

[appellante] heeft voorts gevorderd € 1.016,40, zijnde de kosten van Dekra. Dit rapport heeft [appellante] laten maken ter vaststelling van haar schade en is voor het uitbrengen en beoordelen van de offertes dienstig geweest. Uit het rapport van Dekra blijkt dat Dekra de offertes en meerwerkfactuur heeft gezien en tevens de woning heeft bezocht. [appellante] heeft niet het rapport zelf, maar de offertes aan haar schadevordering ten grondslag gelegd. Dekra heeft gerapporteerd over die offertes. Deze rapportage is dienstig geweest bij de beoordeling van de offerte. Dat [geïntimeerde] niet bij de bezichtiging van de woning aanwezig is geweest, is onvoldoende grond om de rapportage over de offerte ter zijde te schuiven. [geïntimeerde] kende immers de woning en de offerte is (reeds in eerste aanleg) in het geding gebracht. De rapport kosten zijn redelijk en dienen door [geïntimeerde], als de in verzuim gekomen partij te worden gedragen. Het hof zal de vordering dienaangaande daarom toewijzen. De gevorderde wettelijke rente vanaf de dagvaarding in hoger beroep, is toewijsbaar.

slot

6.1

De gevorderde buitengerechtelijke kosten ad € 671,68 met rente vanaf de dag der dagvaarding in hoger beroep, zijn slechts onderbouwd met één sommatie (na het verzoek het werk te hervatten) en een omzettingsverklaring. Hiervoor worden de proceskosten (waaronder de beslagkosten) geacht een vergoeding in te houden. Het bedrag dat voor buitengerechtelijke kosten is gevorderd zal het hof daarom afwijzen.

6.2

De proceskosten in hoger beroep (inclusief de beslagkosten) moeten door [geïntimeerde] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden gedragen. De proceskosten van de eerste aanleg zal het hof geheel voor rekening van [appellante] laten, zoals door de kantonrechter beslist. [appellante] is immers door de kantonrechter in het ongelijk gesteld, de grieven tegen het vonnis zijn ongegrond en de basis voor de thans toegewezen vervangende schadevergoedingsvordering was ten tijde van de procedure in eerste aanleg nog niet aanwezig. Daarom zal het hof het vonnis in stand laten voor zover het de proceskostenveroordeling betreft.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 20 november 2015, in conventie gewezen, behalve voor wat betreft de proceskostenveroordeling,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellante] van

€ 2.586,92, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW van af heden en

€ 1.016,40, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW van af 17 februari 2016, en

- wijst af het meer of anders gevorderde;

- bekrachtigt het vonnis in conventie voor het overige;

- vernietigt het vonnis in reconventie gewezen voor zover [appellante] daarbij werd veroordeeld tot betaling van € 2.380,01

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt [appellante] aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 2.380,-;

- bekrachtigt het vonnis in reconventie voor het overige;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op € 408,08 aan verschotten en € 1.264,- aan salaris advocaat en op € 205,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 68,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 68,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen,

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G. Dulek-Schermers, E.J. van Sandick en A. Dupain en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 augustus 2016 in aanwezigheid van de griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature